|
Welkom op de website van Schutterij Sint Sebastianus te Schinnen
Op deze website vindt u meer informatie over onze schutterij
"DE SCHUTTERIJ DER HEERLIJKHEID SCHINNEN"
Een dankbare nalatenschap welke de traditie ons bracht van onze voorouders zijn onze dorpsschutterijen. Hare dienst bestond in het bewaken en verdedigen van de burgers en de Heerlijkheid. De schutterij moest paraat zijn bij feestelijkheden en verleende hulp, wanneer de sterke arm nodig was. Alhoewel de dienst niet verplichtend was schijnt het nooit aan recruten te hebben ontbroken, dank aan de ruime soldij die bestond in eene groote hoeveelheid bier.
De schutterij heeft voortdurend bestaan, hetgeen zijn oorzaak daarin vindt dat de gegradueerden, die steeds behoorden tot de principale ingezetenen, de leiding hadden. Toch is in den loop der eeuwen de schutterij meermalen rustend geweest. Het is jammer en ergerlijk dat de meeste zilveren platen uit vroegeren tijd in den loop der jaren verdwenen zijn. Sedert enigen tijd zijn de plaat met opschrift 11 1515 Machiel Cuypers" en die uit het jaar 1650 zoek. De artistiek bewerkte zilveren vogel is zonder datum en zeer oud. Het oudste schuttersboek, dat volgens aantekening zou dateren uit 1763, is niet te vinden.
Het opperhoofd der schutterij was steeds de gebiedende Heer van Schinnen. Hij of zijn stedehouder was het die het eerste schot deed naar den vogel. De schutterij had vroeger het inkomen van de schuttendriesch omtrent Wintrack, van eene jaarlijksche rente van den Heer van Schinnen ad 24 gulden Luiksch geld, voor het laatst betaald in 1848. Daarenboven ontving zij van den heer van Schinnen bij de parade op kermismaandag 6 tonnen bier, van den Pastoor en van den Schout ieder een ton, van de schepenen ook een ton bier, alles op denzelfden dag. Verder nog diverse tonnen bier bij particulieren (deze werden op andere dagen gedronken).
Zeker is het, dat door het optreden der schutters menige ramp afgeweerd werd. Dapper werk hadden de schutters van Schinnen verricht in 1790 bij den inval der patriotten. Toen leverde Schinnen alleen meer manschappen, dan alle omliggende Gemeenten te samen. Hun kapitein, de notaris Joes Willem, Peusens, meende dan ook vrijheid te vinden "sijne Hoogd Graevelijcke Genaede" den Gebiedende Heer te mogen versoecken voor de kermisse eenen schuttersprijs te geven met seffens soveel bier als voor de reijse moghte noodig sijn, hem biddende dit jaer oock de gilde van Schinnen met eenen vaendel te doteeren; verders de Genaeghe Herschaffe herinnerende aen de ses tonnen bier, die annuatim door Hoogh Deselve aan de gilde verschuldt sijn, doch selden gegeven werden, en sulx te meer daer in andere Gemeenten aan de schutterijen bij die victoreuse gelegenheijd groote gratuiten gedaen en vaendels geschonken werden"
Veel triestig werk ook moesten in den ouden tijd onze schutters verrichten. Een paar feiten ter illustratie: op 28 October 1750 werd de schutterij gerekwireerd, om den op het kasteel Geulle gevangen gezetten 19 jarigen Not Caldebergh van Puth bijgenaamd "de trouwe jongen" als behoorende tot de beruchte dievenbende der Bokkenrijders te doen verhuizen naar de gevangenis op Ter Borg en om op den 15 Mei 1751 bijstand te verleenen bij zijne executie ter galge op den Danikerberg.
Andermaal moest op 23 Januari 1751 de schutterij paraat zijn om op Ter Borg in de gevangenis te brengen Geerlingh Daniels van Wolfhagen, den onderkapitein dier gevaarlijke bende, die gevlucht was naar Lansert in het rechtsgebied van Gulpen, op een zolder bij zijn zoon Antoon aldaar. Met den Scabinus senior Henricus Pijls aan het hoofd trok, op genoemde dag, eene afdeeling van 30 schutters naar Gulpen en nog denzelfden dag werd Geerling in de dorpsgevangenis gezet, alwaar hij op 28 Jan. aan de zich zelf toegebrachte wonden stierf. De schutters moesten wederom dienst doen bij de uitvoering van het vonnis der schepenen, hetwelk daarin bestond dat het lijk van den bokkenrijder Geerlingh Daniels, moest worden opgehangen.
Op 13 Juli 1754 's avonds moesten de schutters assistentie verleenen aan de Schout J. F. de Limpens bij het gevangen nemen van, den hier resideerenden Notaris en Procureur Paulus Martinus Looymans, beschuldigd van het maken van valsche akten en allerlei oneerlijke practijken.
Behalve den bewakingsdienst bij de gevangenissen op het huis Schinnen (waaruit er nog wel eens ontsnapten) moest de schutterij paradeeren bij feesten ter eere van den gebiedenden Heer van Schinnen, bij het bronken met "Godsdracht en andere feestelijke gelegenheden. Heden nog kan zich moeilijk iemand eene voorstelling maken van de "Bronk" zonder de schutterij.
Alhoewel het naar aanleiding van vele klachten van de pastoors wegens de menigvuldige misbruiken, bij het Souverein Placaet van het jaar 1718 aan de schutterijen verboden werd, de processie "bij Godsdracht" met slagende trom, fusieken en snaphanen bij te wonen hadden toch de schutters van Schinnen op 12 Juni 1753 als zoodanig "medegebronkt". Dientengevolge werden door den Schout A. H. W. Limpens gedagvaard om op 28 Augustus daarop volgend voor de Schepenbank terecht te staan de schutters: Martinus Lienaerts, Leonardus Schiffelers, Wilh. Winckens, Joes Cordeweners, ThilmaCordeweners, Peter Meens, Joes Heynen, Peter Heynen, Jacob Hennen, Dirck Bemelmans, Claes Cordeweners en Mathijs Cremers. Daar zij niet verschenen werden zij nog meermalen gedagvaard totdat eindelijk op 15 Januari 1754 de zaak voor de vierschaar in behandeling kwam. Als advocaat der Schutters trad op F. J. Botens. Voorlezing werd gedaan van "de Souvereijne Plackaerte raeckende het verbott" dat luidde aldus:
"Bij den keyzer en de koninck"
De geduyrighe clachten dewelcke de Geestelijcke overheijt, en andere ons sijn doende over 't groot schandaal, 't gene wordt veroorsaeckt in de processien, in dewelcke wordt ommegedraghen het Allerheiligste Sacrament des Authaers door de gildens en andere lichaemen die deselve vergeselschappen met slaende trommels, vendels, fusiecken ende andere diergelijcke instrumenten, hebben ons bewogen te verbieden gelijck wij verbieden, mits desen, aen die van de gemelde gildens andere lichaemen ende aen andere valt wat staet offi conditie die oock souden mogen wesen. te verscheijnen in de voornoemde processien met trommels, vendels, fusiecken ende andere diergelijcke instrumenten op pene van vijf en twintigh guldens amende bij iedereen te misbeuren voor elcke contraventie; wij ordonneeren hen dat sij hun aldaar sullen hebben te vinden blootshooft ende met alsulcke eerbiedinge als aen den levenden Godt toekomt, wij begeeren dat een ieder hier naer sal hebben te regeleeren, ende dat dese sal verkondigt worden op de gewoonlijcke maniere, want ons alsoo gelieft. Gegeven in onse stadt Brussel den 13 Juni 1718 (was geteekent: G. Schouten).
Verkondight ende geafigeert door mij op den 19 Juni 1718 (was geteekent: W. Crahaye.)
De advocaat der schutters concludeerde tot vrijspraak op grond dat het placaat hier nooit "na klockenslagh" (zooals gebruikelijk) zou zijn afgekondigd en het verbod daardoor hier niet bindend zou zijn geweest. Dit scheen ook zoo te zijn begrepen omdat de processien te Schinnen, evenals trouwens in de omliggende dorpen als Oirsbeek, Amstenrade, Geleen enz. tot dusverre steeds door de schutterijen opgeluisterd werden, te Schinnen zelfs tot groote voldoening van den Pastoor die bij de laatste processie nog 4 Schutters eene plaats bij het baldakijn aanwees.
De getuige Willem Rameckers van Puth oud 60 jaren, kapitein der schutterij, verklaart dat sedert het proces met den Eerw. Heer Kapelaan Banens, ca 20 jaren geleden, den vogel op Pinksterdag niet meer geschoten werd, en dat hem sedert dat proces het verbod bekend was en hij de schutters daarmede heeft in kennis gesteld. Hen aanradende zonder geweer maar wel den rozenkrans de "Bronk" te vergezelschappen. "Doe konst hie din moel wel hauwten es kapitein bijst doe allang aafgezat, aldus snauwde de koningscadet hem toe.
De koning L. Schiffelers bevestigde dit.
De getuige de adjudant Peter Reynhardts bevestigde de verklaring van Rameekers.
"Aha dao kommen ze" liet zich Willemke Voncken ontvallen die zich niet bedwingen kon.
Inderdaad op het Kasteelsplein maneuvreerde met harlekijnsche sprongen de voorlooper eener schutterij en in de verte hoorde men het doffe trommen?geroffel. Het was de Schutterij van Oirsbeek die met slaande trom en vliegend vaandel, in versnelden pas door de allee marcheerend, weldra onder het poortgewelf was en front maakte voor den breeden trappentoegang van het kasteel.
Hare komst gold het ontzet van hare in de knel zijnde zustervereeniging. Op het commando gingen de snaphanen in de hoogte en donderend weergalmden de salvo's ter eere van den dorpsgenoot den drossaard de Limpens van Doonderhuske.
De commandant Guillaume van Schonewinckel, als getuige gedagvaard, trad naar voren en begaf zich in den gerechtzaal. Op de vraag van den schout verklaarde bij dat de schutterij van Oirsbeek steeds met volle wapenuitrusting, trommels en vendels de processie opluisterde en dat de schutters, na het geven van de benedictie. vuur gaven door het, lossen van hunne snaphanen en dat "plattons?gewijze" zooals dat toen ook te Schinnen gebeurde, "hetgeen de Schouteth van Schinnen oock wel goed zou weten daar hij toen nog het drossard?ampt. was waarnemende, tijdens die ziekte en het overlijden van den drossaard Duyckers."
De Schout constateerde dat de schutterij sedert lange jaren niet meer "de Bronk" meemaakte, omdat zij sedert 1726 rustend was, hebbende de kamerdienaar v/d Baron v. Schellaert, Frans Willem Brabeek in 1725 en Thomas Macs in 1726 het laatst den vogel afgeschoten en daarna Leo Schiffelers in 1750. Er kon dus van "gebruik" geen sprake zijn.
De advocaat toonde aan, door citaten van rechtsgeleerden, dat het placaat hier niet volgens de wet was afgekondigd en dus niet bindend was. De pleiter beweerde zelfs dat het bijwonen van de processien, door de schutters met trommen, fusieken en snaphanen, geen misbruik was maar dat het een heilzaam en godsdienstig werk was de processien te behoeden en te beschermen tot meerdere eer en glorie van God, die door zijne dienaren ook met slaande trommen en met allerhande teekenen van vreugde en opgeruimdheid, soowel als met den degen in de vuist tegen Gods vijanden, geloofd en gedankt wil wezen. En met den psalmist riep hij met verheffing van stem "Exultabunt sancti in Gloria, gladii ancipites in mambus corum ad faciendam vindictam in nationibus Laudate cum in tympano er choro. Laudate eum in symbalis bene sonantibus. Laudate eum in cymbalis Jubilationis."
Op advies van de rechtsgeleerden F, W. Beelen en J. Smets te Aken werd dit proces gestaakt.
In het jaar 1632 maakte Zacharius de schutbode (veldbode) zijn testament. Hij stichtte een jaargetijde en legateerde aan de schutterij den beemd in het Noodebaarnest'), later bekend onder den naam van "den schutten?bempf. Aangen Heisterbrug verborgen in "een graaf' tusschen klimop en immer?groen ligt nog het bevallig Sacrias?putje in de buurt bekend om zijn heerlijk frisch water. Het is daaromtrent dat het huis of huisje lag van Zacharias. In zijn ouden dag was Zacharias (die in zijn leven zooveel menschenlevens beschutte) blind.
Men ziet, dat de schutterij van vroeger was een gilde van niet geringe beteekenis. Het is dus natuurlijk dat ieder welgeaard dorpsmensch de aangenaamste herinneringen bijblijven: van onze vroegere schutterij. Welke oudere van dagen herinneren zich niet de schutterij uit de zeventiger jaren. Wat een feest toen de symphathiecke Mevis Cals in 1872 voor den 3en keer den vogel afschoot en tot keizer gekroond werd.
En toch was de eeuwenoude Schutterij van Schinnen niet bestand tegen den nieuwen tijdgeest, en zoo gebeurde het tengevolge van oneenigheid bij het schieten van den Koningsvogel in het jaar 1857, dat de schutters van Puth zich afscheidden. Van toen af was een schutterij te Schinnen en eene nieuwe te Puth.
De Schutterij van Thull
Bij gelegenheid dat de schutterij van Schinnen in 1885 op het internationaal schuttersfeest te Gulpen den hoogsten prijs "afbusde" had te Schinnen een schuttersoptocht plaats, waarbij Thull, waar de eigenlijke prijswinners woonden, werd overgeslagen. Natuurlijk eene reden tot afscheiding. Een maand tijds was voldoende om te Thull eene wel uitgeruste en flink geoefende schutterij op te richten. Deze schutterij kwam zelden ongelauwerd van wedstrijden naar huis, maar bleef niet lang bestaan. De jongelui van Thull mogen alles in het werk stellen tot herstel dier schutterij in haar vroegeren luister.
1) Nodebaarsnest of ooyevaarsnest duidt aan het door het spraakgebruik saamgetrokken tegenwoordige “in het Nober”of “Noberbeembden”. Deze beemde werd bij het kadaster in 1840 beschreven als “noeberbeemden”, de plaats van het huidige gemeenschapshuis.
|